Camille Claudel, naar een beeldje van Auguste Rodin. Ik zag het beeld op een tentoonstelling in het van Gogh Museum in Amsterdam; een kleine, in roze albast uitgevoerde, kop.

Het licht scheen er doorheen en gaf een wonderlijk onaards en transparant karakter. De onuitsprekelijke droefheid er van, raakte mij diep en ik maakte er een aantal tekeningen van.
Pas jaren later kwamen deze weer tevoorschijn, om het onderwerp van een prent te worden. De vele vogels vliegen uit en dragen de ziel. Dit alles ontstaat zeker niet bewust, meestal realiseer ik mij de betekenis van een vooorstelling pas veel later, soms jaren later. Of helemaal niet, ze ontstaan als een soort dromen.
Camille Claudel
2004
Vernis-mou, lijnets, aquatint en gravure.



Zwarte Zon ofwel Kwaad Broedsel
In 1973 ontstond deze prent en had toen een andere vorm, alleen de cirkel, de rest van de plaat was onbetekend.

In 2003 besloot ik hem af te maken, hem te veranderen en meer ruimte te geven.

De gedachte was: de mens als een soort "koekoeks-kind" van deze aarde, zwevend door ruimte en tijd. De cirkel is ook een soort OOG. Gevangen en gedragen in deze toeziende blik, zijn wij ook de kinderen Gods.
Zwarte Zon
2003
Vernis-mou en lijnets.
Gaandeweg ontdekte ik de verschillende mogelijkheden die uit het schilderen waren voortgekomen en die zich goed met de pastel lieten combineren. Door eerst een onderschildering op te zetten op donker getint papier, kon ik de voorstelling zonder problemen voortzetten, die weg was mij bekend.

De oude meesters hadden zo hun redenen voor de monochrome onderschildering, het gaf een stevig fundament en dan konden zij daarna rustig het hoofdstuk "kleur" afhandelen. Dat principe paste ik ook bij de pastel toe en dat gaf een verrassend resultaat! Ik voelde mij helemaal in mijn element, op die manier met pastel omgaan gaf mij een grote mate van vrijheid.

Fata Morgana. Een fantasie. De ervaring dat alles vergankelijk is, dat alle materie vergaat, wij zelf dus ook. De vrouw schouwt toe, verzonken in herinneringen. Het vogelskelet? Ik raad maar wat. In alle ontluistering van het verval, huist toch nog een strijdbare, spirituele kracht. Misschien wordt die juist geboren uit de tegenslagen die het leven je toedient; het verlies en verdriet, het voortdurend afscheid.
Fatamorgana
2008
Gouache en pastel.


Een stilleven, een popje op een stoel. Het gordijn gaat zelf iets bedenken, het wordt een tropisch woud, de stoelzitting een zompig moeras. En het popje droomt met open ogen.

De techniek: Het was de eerste pastel, waarbij een gevoel voor het materiaal ontstond. Jaren geleden had ik mij ook op dat terrein gewaagd en er een grote frustratie aan overgehouden! Zo gaat dat soms.

Het krijt lag overal, op de grond, in mijn kleren, tot in mijn haren! En wat er op het papier stond, dat deugde niet! En als je wilde vasthouden wat je gemaakt had, door de tekening te fixeren, dan verdween alles wat er nog aardig aan was. De krijtjes braken in je handen. De materie was zo uitermate vluchtig, dat als je hoestte, dan lag je tekening op de grond!!!

Deze keer pakte ik het anders aan en lukte alles veel beter.
Dagdromen (poppetje tegen het gordijn)
2007
Gouache en pastel.




Ook van deze voorstelling bestaat een eerdere versie in het exlibris.

De "geslaagde" kleine prenten wil ik nog wel eens een keer in een andere techniek uitvoeren, want vaak gaat er, naar verhouding heel veel tijd in het ontwerp zitten. Dan kun je een tweede keer meer aandacht besteden aan andere aspecten, bijvoorbeeld aan nieuwe technieken en experimenten.

In dit geval aan de speurtocht naar oude recepten uit de schilderstraditie.
Poppentheater (1)
1995
Olieverf op doek.
Love of Seven Dolls (naar P. Gallico)
1984
Kopergravure